Hoe we met De Waag omgaan
Eén stuk in wat we weten over vraagt op een website van nu om een zorgvuldige aanpak. Het wegmoffelen zou oneerlijk zijn, het opblazen ook. In januari 1942, midden in de bezetting, drukte De Waag, een pro-Duits cultureel weekblad, het interview af dat Jaap Valk had met ‘G. van Duffelen’. Valk zet zijn naam onder het artikel, en volgens de gedrukte tekst komen de antwoorden van de man die hij sprak. Nergens op de pagina staat dat het om de schilder gaat; dat verband legt het dossier zelf. Beide pagina’s zijn hier te zien, en het bewaarde begeleidende document bevat een Engelse vertaling van het hele artikel.
Wat erin staat
Het interview gaat grotendeels over kunstonderwijs en vakmanschap, in een behoudende, traditionalistische toon. Daarnaast schrijft het artikel de geïnterviewde opvattingen toe die goed aansloten bij het culturele programma van de bezetter. Het artikel meldt dat hij het toejuichte dat modernistische ‘extremistische’ kunst aan het zicht van het publiek was onttrokken. Volgens het artikel zei hij dat die kunst, nu ze uit beeld was verdrongen, al vanzelf aan het verdwijnen was.
Nederlandstalige brontranscriptie, ongewijzigd overgenomen: De opleiding tot beeldend kunstenaar Een gesprek met den schilder-leeraar G. van Duffelen [intro box:] Nu de beeldende kunst in ons land de volle belangstelling heeft van de overheid en het vakmanschap van den kunstenaar meer dan ooit in het geding zal worden gebracht, hebben wij gemeend eens de aandacht te moeten vestigen op de opleiding van hen, die de vrije kunst als levensdoel zien. Wij hebben daarom in een onderhoud voor „De Waag" enkele vragen gesteld aan den Amsterdamschen schilder G. van Duffelen, die als leeraar aan het Instituut voor Kunstnijverheidsonderwijs, de zoogenaamde Museumschool, een langjarige praktijk heeft en aan wiens oordeel ongetwijfeld waarde kan worden gehecht. Een étage-woning in het zuidelijk deel van Amsterdam met een weidsch uitzicht over pleinen en nieuwe straten, waar moderne huizen zijn opgerezen uit het groene, vlakke land. Een rustige huiskamer, van waaruit men door de vensters een stuk Hollandschen hemel ziet met jagende wolken. Meeuwen glijden voorbij op nauw wiekende vleugels. Het moet hier wonderlijk mooi zijn in den winter, met de ragfijne takken der boomen tegen het witte sneeuwkleed dat de slanke gevels bedekt. Precies zooals wij ons dat herinneren van de prachtige, stemmingsvolle aquarel van v. Duffelen op de tentoonstelling in „Arti". In den nok van het huis is het atelier van den schilder. Een soort toren, waarin een groot spiegelruit zonder belemmering het heldere licht uit het noorden laat binnenstroomen. Aan de muren, achter gordijnen en op een ezel schilderijen in diepe en warme kleuren. Een breed geschilderd frisch en open jongensportret en tal van studies en krabbels van kinderfiguren. „Mijn eigen jongens", zegt de schilder en hij zegt het op een toon, die onmiddellijk doet gevoelen, dat deze kunstenaar-huisvader een uitstekend opvoeder van toekomstige kunstenaars moet zijn. Ik schilder graag kinderen, vertelt Van Duffelen, en er komt iets zonnigs over het scherp geteekende gezicht met de staalblauwe oogen en den eenigszins nerveuzen mond. „In een kinderportret kun je zooveel liefde, zuiverheid en innigheid leggen, dat het je als het ware zelf bevrijdt van de beklemming der wereld om je heen. Maar toch heb ik geen bepaald genre dat ik beoefen. Ik vind in het algemeen het onderwerp ook niet zoo belangrijk. Wat mij als schilder bezig houdt, is alleen het probleem van de weergave, het zoeken naar een geheel, en dat behoeft zeker niet gebonden te zijn aan een onderwerp. — U schildert veel, ondanks uw talrijke lesuren, merken wij op. — Ja, zegt Van Duffelen, dat kan en dat moet. Want volgens mij moet hij, die kunstonderwijs geeft, op de eerste plaats zelf werken. Dat is de voornaamste eisch om levend te blijven, om niet te verstarren en om te kunnen geven aan de leerlingen. Ik heb de vakken levend-model schilderen en anatomie en het is onmogelijk, die goed te geven zonder „zelf te ploeteren en te zoeken", zooals mijn leermeester Oldewelt dat uitdrukte. Dat is noodig om goed begrijpend tegenover de jongeren te kunnen staan. Ik ben zelf langzamerhand in het onderwijs ingegroeid en het is een deel van mijn leven geworden. Ik zou het ook niet graag meer missen. Want ik heb van de jeugd met haar enthousiasme en bruisenden overmoed leeren houden en het geeft een groote voldoening, iets van je zelf te kunnen geven aan die jonge menschen, die je leiden moet. Want vooral op leiding komt het aan, ook al meent de jeugd zelf te weten wat zij wil. — Hoe komen de jonge menschen eigenlijk op de kunstonderwijsinrichtingen en hoe wordt er beslist, wie daar toegelaten kan worden? — U raakt daar een belangrijke kwestie aan. Ik wil dan niet spreken over die aanstaande leerlingen, die een vak willen kiezen, dat alleen maar met teekenen verband houdt. Deze groep vindt haar weg wel in de richting van de kunstnijverheid en het gewone teekenonderwijs. Behalve een zekere aanleg kunnen hier ook andere kwaliteiten een rol spelen. Maar het probleem ligt juist bij hen, die zich de vrije kunst als levensdoel hebben gesteld. Zij zijn aangewezen op het onderwijs aan de rijksacademie voor beeldende kunsten. Gewoonlijk zijn zij echter nog lang niet zoo ver, dat ze daar in de eerste teekenklasse geplaatst kunnen worden. Zij komen dan, dikwijls op aanraden van den directeur-hoogleeraar, bij ons. Zoodat wij, op het Instituut voor kunstnijverheidsonderwijs, eigenlijk zijn aangewezen om de leerlingen rijp te maken voor het hooger kunstonderwijs. Nu zit de groote moeilijkheid in het beoordeelen van den aanleg van zoo'n beginneling. Men wordt geplaatst voor diens werk, diens probeersels vaak, en de leeraar moet dan maar bepalen, of de candidaat talent heeft. Hier drukt een groote verantwoordelijkheid op ons. Want met aanmoedigingen moet men uiterst voorzichtig zijn. De beste oplossing blijkt meestal te zijn, wanneer het werk een belofte inhoudt, den candidaat op te nemen in de opleidingsklasse en dan de verdere ontwikkeling af te wachten. [bijschrift bij foto:] Zelfportret van G. van Duffelen (Foto Fellinga) Zouden de bemoeiingen van de overheid met de kunst hier ook van nut kunnen zijn? — Ongetwijfeld. De heer Gerdes heeft reeds gezegd, dat het kunstonderwijs — of liever de opleiding tot kunstenaar — moet worden overgebracht van het departement van Opvoeding naar dat van Volksvoorlichting en Kunsten. Dan zal de Kultuurkamer met het Gilde hierin een beslissend woord kunnen spreken. Hierdoor zal deze zaak dan ook niet, zooals dat vroeger altijd was, in handen van leeken [worden aangepakt], doch door kunstenaars zelf worden aangepakt. Om de keuze zoo goed mogelijk te doen zijn, zal er samenwerking noodig zijn tusschen de middelbare school of het gymnasium, de vooropleiding en de academie. Eerst dan wordt de kans op mislukking belangrijk kleiner. Maar dan moet deze jeugd ook niet worden geplaagd door de groote zorgen van het levensonderhoud, welke haar meestal te vroeg tot het productief maken van haar kwaliteiten brengt. Haar zelfbewustzijn zal groeien en daarmede het gevoel voor de verplichtingen, welke zij heeft tegenover zichzelf en haar volk. — Wat is in dit verband uw meening over den Arbeidsdienst als ontwikkelingsperiode, vóór de academische studie begint? — Het kan den jongen kunstenaar alleen maar ten goede komen, wanneer hij eenigen tijd met anderen kameraadschappelijk moet werken. Behalve het nut, dat dit werken voor het lichaam heeft, zal hij het nut ondervinden van het volk te leeren begrijpen in al zijn geledingen en er zich één mee te gevoelen. Op deze wijze wordt dan een schrede gezet op den weg, die leidt tot een goed elkander verstaan van kunstenaar en volk. — Hoe staat de jonge generatie over het algemeen tegenover het extremisme in de kunst? — Ik geloof, dat we ons daarover geen zorgen behoeven te maken. In den tijd, dat deze uitingen in musea officieel als groote kunst werden getoond, was begrijpelijk dat de meening kon ontstaan, dat vakstudie overbodig was en zelfs als een rem op de „vrije" kunstuiting kon werken. Gelukkig blijkt onze jeugd geestelijk gezond te zijn en gaan deze verschijnselen, nu zij teruggedrongen zijn uit de openbaarheid, vanzelf voorbij. Wanneer men thans op tentoonstellingen rondkijkt valt het op, dat de vakstudie steeds meer in eere komt en dat er weer veel ernstiger gewerkt wordt. De jonge kunstenaars trachten uitvoerig te zijn in hun arbeid. Maar ook hier moet men maat weten te houden. Al is het zeker noodig, dat de kunst tot het volk spreekt, toch moet zij ook den geest van dat volk verrijken. Het volk moet dus leeren zien door de oogen van de kunstenaars. En dan moeten de schilders vooral niet vervallen in het braaf burgerlijke, want dan komen zij nooit boven het volk uit, doch blijven onder hun publiek staan. Wat verstaat u onder braaf-burgerlijk. Waren dat onze 17de eeuwsche schilders ook niet? — Neen. Want dat moet niet in het onderwerp gezocht worden. Het allereenvoudigste kan groot gezien en prachtig uitvoerig geschilderd worden. Maar de détails dienen ondergeschikt te blijven aan het geheel en mogen nooit naar voren gedrongen worden. Juist onze 17de eeuwsche schilders zijn daar uitstekende voorbeelden van. Denk maar eens aan een stilleven van Heda of een interieur van Vermeer. De groote Japansche meester Hokusai heeft het precies gekarakteriseerd door te zeggen: „Een vogel is af als hij vliegen kan en niet als het laatste veertje erop gezet is!" Wat heelemaal niet inhoudt dat dit laatste veertje er niet op mag staan. — Wat denkt u tenslotte over den Prix de Rome? — Deze instelling zal bij de overheidsbemoeiingen inzake kunst, slechts aan waarde kunnen winnen. Ontstaan in een tijd van kunstbescherming, heeft zij in een bepaalde periode in ons land niet aan haar doel beantwoord. Dit komt vooral door de geestelijke houding van onze kunstenaars of beter nog van de kunstenaars in dien tijd. De Prix de Rome-winnaar stond geïsoleerd in (Vervolg van pag. 806.) het kunstleven. Men trok zich in ons land niets aan van de maatschappelijke positie van den kunstenaar en de bohème-gedachte uitte zich zelfs in de critiek, die veelal een vijandige houding jegens den bekroonde aannam. Men denke maar eens aan hetgeen de schilder-schrijver Jacobus van Looy hierover heeft geschreven. In den laatsten tijd is dat veel beter geworden. Maar toch geloof ik, dat eerst door een herziening van de houding der overheid en door de staatszorg voor den kunstenaar, de verbetering zooals die noodzakelijk is, kan worden bereikt. En hiermede beëindigt van Duffelen zijn betoog, dat veel behartigenswaardigs bevat en waarover het goed is na te denken. [ondertekening:] JAAP VALK.
In dezelfde weergave stemt hij in met de Arbeidsdienst en met toezicht van de Kultuurkamer en de gilden op het kunstonderwijs.
Wat we er niet uit afleiden
We leggen deze antwoorden volledig vast en zwakken ze niet af. We maken er ook geen oordeel van. Het gedrukte interview laat zien wat het in januari 1942 aan de geïnterviewde toeschreef. Het bewijst niet zelfstandig elke formulering, en het toont geen partijlidmaatschap, geen handeling en geen gevolg aan. De zoekacties die in het dossier zijn vastgelegd, hebben naast dit interview en het bewijs dat hij tot in de jaren veertig in Amsterdam les bleef geven geen ander stuk uit de bezettingstijd opgeleverd.
Meer kan dit gedrukte interview niet dragen. Het weglaten zou oneerlijk zijn, maar er meer in lezen dan op de pagina staat ook. Daarom leggen we het vast en gaan we niet verder.