Instellingen en hulpmiddelen
Eén hoek van één stad blijkt in verrassend veel handen te liggen, en dan is het niet meer dan eerlijk om te zeggen in welke. Twee archieven komen in de gebruikte documenten steeds terug. Het gedigitaliseerde krantenarchief van de nationale bibliotheek leverde een eeuw dagbladen en vakpers. Het Stadsarchief Rotterdam leverde stukken uit de studiezaal, de beeldbank en de adresboeken, en samen met de bevolkingsregisterkaarten daarachter geven die het gebouw zijn bewoners, zijn vergunningen en zijn vroegste foto's. Daarachter volgt een langere rij instellingen, elk met een eigen soort stukken, waaronder het Nationaal Archief, de fotocollectie van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en het landelijke centrum voor familiegeschiedenis.
Rechten worden per stuk beoordeeld en nooit afgeleid uit de naam van een instelling. Een stuk waarvoor het project geen rechtenverklaring heeft vastgelegd, blijft gemarkeerd als `not stated; local research only` en geldt niet als vrijgegeven. Heeft een document eigen voorwaarden, dan blijven die zichtbaar. Afbeeldingen met een vrije licentie zijn het duidelijkste geval: sommige afbeeldingen uit de open mediabibliotheek, het Europese erfgoedportaal en de eigen vrij gelicentieerde collectie van het stadsarchief hebben een Creative Commons-licentie. Noemt zo'n licentie een maker, dan staat de naamsvermelding er precies zoals de licentie vraagt. Gaat het om een publiekdomeinverklaring, dan is geen naamsvermelding verschuldigd en wordt er ook geen geclaimd.
Open platforms maakten de stukken vindbaar of herbruikbaar. Een genealogische index ontsloot de registers van de burgerlijke stand op naam, en een webarchief bewaarde kopieën van de eigen website van de zaak nadat die was veranderd. Een discografische catalogus legde vast wat er vanuit het gebouw is uitgebracht. Een open mediabibliotheek leverde vrij gelicentieerde afbeeldingen, een Europees erfgoedportaal gaf toegang tot andere, en een nationaal kunsthistorisch instituut plaatste de schilder binnen zijn beroepsgroep. Geen van hen bewaart in zijn eentje het verhaal van de hoek, maar elk maakte een deel ervan toegankelijk dat anders gesloten was gebleven.
Geautomatiseerde taal- en beeldsystemen hielpen bij veel eerste lezingen: ze transcribeerden gedrukte pagina's, beschreven foto's en zochten naar documenten door zowel hun woorden als hun betekenis te vergelijken. Voor handschrift geldt een strengere route. Het wordt automatisch opgespoord en daarna blind gelezen in een onafhankelijke dubbele lezing, waarbij elke lezer de uitsnede zonder voorkennis te zien krijgt en geen voorgesteld antwoord. De aangewezen arbiter weegt de lezingen vervolgens af tegen de scan, zodat geen enkele machine op haar woord wordt geloofd. en leggen de stappen uit. Deze systemen worden hier genoemd voor wat ze zijn: hulpmiddelen die een eerste bewerking uitvoerden. Elke lezing die ze opleverden is een zoekhulp die aan de bron moet worden getoetst, nooit zelf een bron. De tekst die daaruit voortkomt blijft de interpretatie van het project. Een hulpmiddel noemen draagt geen auteurschap over en bewijst niet dat de uitvoer klopte.