01169a, 169b, 169c
Een van de twee gezinnen die boven de werkplaats woonden, staat op één foto. Die is waarschijnlijk van eind 1899 en laat beide ouders en alle acht kinderen Pelt zien.
Een legenda met aantekeningen zoekt gezicht voor gezicht uit wie wie is.
Een restauratie met AI heeft dezelfde foto opgeschoond en ingekleurd, waardoor de gezichten dichterbij komen.
Sla het Rotterdamse adresboek van 1911 open bij de Rochussenstraat en loop met een vinger de kolom af, langs onderwijzers en een inspecteur van politie. De hoek beslaat drie regels onder elkaar: G. J. van Duffelen op 169a, de firma op 169b, C. Pelt op 169c.
Duffelen, G. J. v., meub.fabrik. — Rochussenstr. 169a / Duffelen & Pelt, v., meub.fabrik.—Rochuss.str. 169b / Pelt, C., meubelfabrikant — Rochussenstraat 169c
Netter dan hier staat de hoek nooit in druk: de ene oprichter, de firma, de andere oprichter, elk met een eigen letter. Die netheid en dat jaartal zetten je allebei een beetje op het verkeerde been. Vijf jaar eerder noemt het boek van 1906 Cornelis Pelt al op een kaal "169" zonder letter, en staan beide compagnons bij de bedrijven. De letters kwamen pas daarna, en in 1911 lagen ze nog niet vast. Dat jaar staat de oudere Van Duffelen op 169a en de firma op 169b, maar in 1915 staat de firma op 169a en staan beide Van Duffelens op 169b. De drie keurige regels van 1911 leggen een letterindeling vast die nog werd verschoven.
In de jaren daarna gaan de letters zwerven. De reeks die achter de firma staat, blijft niet hetzelfde. In 1916 geeft het boek Van Duffelen & Pelt de hele reeks 169a-c, alsof de fabriek zich over alle drie de woningen had uitgebreid.
Een jaar later staat er 169a-b, het jaar daarop weer 169a-c. Verhuisd was er niemand: van 1915 tot 1918 zaten de twee Van Duffelens op 169b en Cornelis Pelt op 169c. In 1916, en opnieuw in 1918, geeft het adresboek de firma dus alle drie de woningen, terwijl het een van de compagnons als bewoner van een ervan vermeldt. Het zwerven zit in het adresboek, en wie de groei van de fabriek uit die letters wil afleiden, verwart een gewoonte van de zetter met bouwgeschiedenis.
De bladzijde bevat ook een vreemdere stilte. Loop vanaf de hoek de straat in en drie huisnummers ontbreken gewoon: geen 165, geen 167, geen 173. De reeks springt van 119b meteen naar het blok 169 en verder naar 171. Dat hoeft geen gat in de bron te zijn. Het hoge nummer van de hoek hangt waarschijnlijk samen met de geplande plek in de straat en niet met de volgorde waarin de huizen verrezen; de lager genummerde percelen ernaast hoorden bij een landgoed dat nog niet was bebouwd.
Het adresboek volgt regels, en het drukt ze ook af. De uitgave van 1917 bevat de vaste mededeling dat bovenwoningen in per week verhuurde huizen en de allergoedkoopste woningen niet worden opgenomen. De huishoudens op de hoek staan er elk jaar met naam in, de mensen die bij hen schoonmaakten niet. leest de woningen jaar voor jaar, en laat zien waar de gegevens wel en niet kunnen worden aangevuld.
Verdiepende dossiers: ·
02Van Crooswijk naar de Coolhavenkade
Wie de Pelts op de hoek wil begrijpen, moet even terug in de tijd en ze ernaartoe volgen. Cornelis Pelt was meubelmaker, in 1856 in Rotterdam geboren. Voordat hij een eigen hoek had, had hij een gezin en een reeks gehuurde kamers in het noordoosten van de stad. Zijn gezinskaart zet ze in een kolom onder elkaar: eerst de Crispijnlaan, dan de Nieuwe Molenstraat, de Crooswijkscheweg, een Spiegelnisser adres en de Erasmusstraat. Het laatste adres voor de hoek is de hoek zelf, ingeschreven onder de naam die de straat aan de Coolhavenkant korte tijd droeg. Toen de straatnaam vastlag, werd dat Rochussenstraat 169, later 169c.
Hij verhuisde naar de hoek toen de fabriek nieuw was, en hij bleef. Zijn woning was die welke het adresboek later 169c noemde. Dezelfde kolom die zijn komst noteert, noteert ook de dag van zijn vertrek, zo'n twintig jaar later: 22 maart 1921, naar Snellinckstraat 10a. In die tussentijd waren de Pelts het huishouden achter de deur in de zijstraat: een meubelmaker, zijn vrouw Jacoba Anna Muijser en een lange rij kinderen. Een van die kinderen had al een kleine openbare rol in het gebouw gespeeld. De zesjarige Cornelis die in 1899 de eerste steen legde, groeide op aan de hoek waarvan zijn vader voor de helft eigenaar was.
Van vlak vóór hun verhuizing naar de hoek is een groepsfoto van de familie Pelt bewaard gebleven. Hij is rond eind 1899 gemaakt en laat beide ouders zien met alle acht kinderen die toen leefden, de vader rechtsboven en daartussen twee kleine jongens in matrozenpak. De datum, en de overlevering in de familie dat Cees, de jongen van de eerste steen, een van die twee is, zijn met de foto doorgegeven en staan er niet op. Beide gelden daarom het best als waarschijnlijk. De foto is nog altijd van de familie en staat hier met haar toestemming. bekijkt de foto en de lezing van wie wie is, en volgt de gezinskaart en de hele route vanuit Crooswijk.
De kinderen werden groot en trouwden het huis uit. Cornelis, de eerstesteenlegger, was inmiddels een jonge kantoorbediende, en op 12 september 1918 trouwde hij in Rotterdam met Maria Welman uit Hellevoetsluis. Drie jaar later houdt de gezinskaart op bij de hoek en gaat ze verder in de Snellinckstraat. De bovenste woning achter de deur in de zijstraat was toen van iemand anders.
Verdiepende dossiers: ·
03Acht kinderen, vijf dochters
Het andere oprichtersgezin vulde de andere woningen, en dat was een groter en ouder verhaal. Gijsbert Johannes van Duffelen en Hendrika Maria Petronella Mathlener waren in 1876 in Rotterdam getrouwd, en in de dertien jaar daarna kregen ze acht kinderen, allemaal in de stad geboren. Drie waren zoons, en twee daarvan stierven als baby. Zo groeide Gerrit, de schilder, geboren in 1889, op als enige overgebleven zoon tussen vijf zussen. In de jaren van dit hoofdstuk woonden de ouders nog op de hoek, en staat Gerrit op 169b vermeld, boven de fabriek, als kunstschilder en tekenleraar.
Daarna liep het huishouden op de gewone manier leeg, van buiten naar binnen. Vier dochters trouwden tussen 1906 en 1911 in Rotterdam, en het gezin begon uit te waaieren. Eén trouwde met een kweker en vestigde zich bij Cleveland, Ohio. Een ander trouwde met de handschoen en bouwde op een tabaksplantage aan de Delikust van Sumatra haar leven op. Nog twee trouwden en bleven in de stad, en ook een vijfde dochter kwam in Cleveland terecht. Op 4 mei 1921, zes weken na het vertrek van Cornelis Pelt, gingen ook de laatste Van Duffelens: de ouders verhuisden naar Zeist. Hun gezinskaart legt de dag vast. Door de regel met de Rochussenstraat staat een streep, met de nieuwe woonplaats erachter.
Zeven jaar later stond het gezin dat de hoek had voortgebracht één keer compleet in één gedrukte kolom. Gijsbert Johannes van Duffelen overleed in november 1928, en zijn overlijdensadvertentie noemde de nabestaanden bij de plaatsen waar ze terecht waren gekomen: de weduwe in Zeist, de getrouwde dochters in Rotterdam, Cleveland en Medan, de enige zoon, de schilder, in Amsterdam.
G. J. VAN DUFFELEN, in den ouderdom van ruim 76 jaren
Die paar regels kleine letters volgen een Rotterdamse meubelmakersfamilie, van een huwelijk in 1876 tot een verspreiding die tot Ohio en Sumatra reikte. gaat verder terug en verder weg, naar de grootouders, de zeekapitein die de familie zich herinnerde, de geëmigreerde dochters en het laatste adres van de oprichter.
Verdiepende dossiers:
04De mensen die het adresboek verborgen hield
Juist de mensen op wie de huishoudens op de hoek het meest leunden, laten in de bronnen bijna niets na. Op de hoek moest altijd een huishouden draaiende worden gehouden, en die huishoudens adverteerden. In juni 1921, enkele weken na het vertrek van Cornelis Pelt, stond er in het Rotterdamsch Nieuwsblad een advertentie uit precies de woning die hij net had verlaten: gevraagd een dagmeisje aan de Rochussenstraat 169c, zes gulden per week, direct te beginnen.
Dagmeisje GEVRAAGD, terstond. Loon f 6 per week. Adres Mevr. BEENS, Rochussenstraat 169 C.
De advertentie is klein, en wie haar plaatste, is een nieuwe naam in dit verhaal. Mevrouw Beens hoorde bij de firma die de fabriek betrok terwijl de oprichters vertrokken. Haar advertentie is de eerste van een lange reeks vanaf dit adres: hier een dagmeisje, daar een inwonende dienstbode. Tientallen jaren later vroeg een ander huishouden op het adres om minder, van een inwonende dienstbode in 1939 tot drie ochtenden per week in 1960. Geen enkele advertentie noemt een naam. Het loon staat er soms bij, zes gulden per week in 1921, vijfendertig gulden per maand met kost in 1928, maar de dienstbode nooit. Het zijn de minst zichtbare mensen die door het gebouw gingen, en ze zijn alleen te zien omdat het huishouden dat hen zocht dat in de krant moest zetten.
Die stilte zit in de bronnen zelf. Het adresboek noemt elk huishouden op de hoek. Volgens zijn eigen gedrukte regel laat het precies de groep weg die deze advertenties zochten: bovenwoningen van per week verhuurde huizen komen er nooit in voor, en de goedkoopste weekwoningen onder de huurgrens van het boek evenmin. volgt de hele reeks advertenties en een huishouden dat in een generatie om steeds minder hulp vroeg. gaat over het werkende leven van het gebouw als geheel.
De advertentie van Beens laat zien dat de hoek al van eigenaar wisselde. Tegen de tijd dat een dagmeisje erop reageerde, was de firma beneden niet meer helemaal Van Duffelen & Pelt. De oprichters waren naar Zeist en naar de Snellinckstraat vertrokken, op de fabriek stond de naam van een groter bedrijf, en in een van de woningen woonde een mevrouw uit die firma, die per advertentie een dienstbode zocht. Het volgende hoofdstuk volgt wat er van de firma werd toen die werd overgenomen.
Verdiepende dossiers: ·