Anthony van Hoboken en de Afrikaanse werving
Anthony van Hoboken (1756–1850), in zijn tijd de grootste particuliere reder van Rotterdam, was vanaf 1835 eigenaar van het veld waar het hoekpand later op uitkeek. Zijn landgoed, dat de lage nummers van de Rochussenstraat een generatie lang als open weiland liet liggen, wordt uitvoerig besproken in het artikel over . Hier telt hij alleen als eigenaar van de grond. Maar het vermogen waarmee die grond werd gekocht en vastgehouden, heeft een geschiedenis waar een site van nu niet omheen kan. Deze notitie beschrijft die geschiedenis zonder omwegen en laat het daarbij.
Het contract
Van 1831 tot 1842 had de rederij van Van Hoboken een contract met de Nederlandse regering. Op grond daarvan brachten meer dan tien van haar schepen zo'n 2.000 tot 2.300 Afrikaanse mannen naar Nederlands-Indië, om daar als koloniale soldaten in het KNIL te dienen. De mannen werden geworven in Elmina aan de Goudkust, en velen van hen waren gekocht of eerder tot slaaf gemaakt, en werden vrijgemaakt om dienst te kunnen nemen. Dit was de Afrikaanse werving, en daaruit kwamen de soldaten voort die in Indië later Belanda Hitam heetten, "Zwarte Nederlanders". Het systeem omzeilde het Nederlandse verbod op de trans-Atlantische slavenhandel van 1814.
Een handgekleurde prent van omstreeks 1850, gecatalogiseerd als "Villa Hoboken", toont een Italiaans aandoend buitenhuis. Het heeft een hoektoren met een belvedère achter arcaden, een tuin met een urn en een rijtuig bij de trap. Alleen de catalogustitel verbindt de prent met het landgoed; in de afbeelding zelf bewijst niets dat. Daarom staat ze hier als voorbeeld van zo'n villa, niet als portret van een bekend huis.
Wat dit wel en niet is
Het verhaal is ingewikkelder dan de makkelijke versie doet denken. Deze reizen hoorden niet bij de Atlantische handel in tot slaaf gemaakte mensen naar West-Indië of Amerika: Nederland had zijn trans-Atlantische slavenhandel in 1814 afgeschaft, en de transporten vonden twintig jaar later plaats. De schepen voeren oostwaarts, naar Indië, en de mannen gingen als soldaat in dienst, niet als plantagearbeiders die werden verkocht. Toch is het verhaal ook niet vrij van blaam. Velen waren gekocht of eerder tot slaaf gemaakt en daarna vrijgemaakt om dienst te nemen, en de hele regeling omzeilde een verbod op slavenhandel. Bram Oosterwijks biografie van Van Hoboken en de maritiem-historische gegevens over de reizen onderbouwen dit, maar niet meer dan dat.
De afrekening
Het oordeel is niet alleen historisch. In 2022 werd op het standbeeld van Van Hoboken aan de Veerhaven "SLAVENHANDELAAR" gekalkt, als deel van de publieke afrekening van de stad met de mannen op haar sokkels.
Niets hiervan raakt aan de geschiedenis van het gebouw zelf. De familie Van Hoboken bezat het landgoed ten oosten van de 's-Gravendijkwal, en het hoekpand stond aan de westrand daarvan. In het verhaal van de werkplaatsen, de bedrijven en de huishoudens op de hoek speelt de familie geen rol. Ze staat hier omdat een huis niet los te zien is van de geschiedenis van de grond waarop het staat, en omdat het eerlijk is te zeggen wat de eigenaar van die grond deed en precies aan te geven waar zijn verhaal ophoudt.