Gerrit van Duffelen, schilder en etser
Gerrit van Duffelen droeg de naam van een overleden broer, en van een grootvader. Meubelfabrikant G. J. van Duffelen had acht kinderen, en twee eerder geboren zoons stierven als baby. De naam, die van de vader van de oprichter zelf, Gerrit van Duffelen, werd opnieuw gegeven aan de jongen die in 1889 werd geboren . In zijn geboorteakte heet hij gewoon Gerrit.
No. 4091. Op heden den drieëntwintigsten September achttien honderd negen en tachtig, is voor ons Ambtenaar van den Burgerlijken Stand der Gemeente Rotterdam, verschenen: Johanna de Graat[?], oud veertig jaren, van beroep verloskundige, wonende alhier, welke ons heeft verklaard, dat op den eenentwintigsten dezer des voormiddags te vijf uur in een huis aan de Scholleboschlaan[?] alhier, is geboren een kind van het mannelijk geslacht, uit Hendrika Maria Petronella Mathlener; zonder beroep, huisvrouw van Gijsbert Johannes van Duffelen; meubelmaker, wonende beiden alhier, welk kind zal genaamd worden Gerrit. Deze aangifte is aan ons gedaan in tegenwoordigheid van: Henricus Conradus de Haan Hugenholtz, oud drieëntwintig jaren, van beroep ambtenaar, wonende alhier en van Arie Johannes van Renesse[?], oud zesentwintig jaren, van beroep ambtenaar, wonende alhier. En is hiervan opgemaakt deze akte en na voorlezing onderteekend door ons, de aangeefster en de getuigen. (get.) [Johanna de Graat]; H. C. de Haan Hugenholtz; A. J. van Renesse[?]; [Ambtenaar]
Op 3 juni 1899 legde hij, negen jaar oud, de eerste steen van Rochussenstraat 169, met de zesjarige Cornelis Pelt naast zich.
De eigenaar fotografeerde de gebeeldhouwde steen in 2026. Hij zit nog altijd in de muur van de hoek en noemt beide jongens. De lijn van de andere jongen loopt door tot ; deze pagina volgt de zoon van de meubelfabrikant, die schilder werd.
In de akte heet hij kunstschilder
Het eerste document dat hem schilder noemt, is de huwelijksakte van iemand anders. Op 9 maart 1911 trouwde zijn zus Hendrikje Maria, Gerrit was getuige, en de ambtenaar noteerde naast de overige gegevens ook zijn beroep. In die jaren stond hij vaker getuige bij de huwelijken van zijn zussen: zowel bij het huwelijk met Van Driest als bij dat met Engelsman, beide in 1911.
Akte nr. 505 (Rotterdam, huwelijken 1911 — de naastgelegen akte nr. 503, Pijl × van Barneveld, staat hier los van en is N/A). - Datum: Heden negen Maart negentien honderd elf [9 maart 1911] - Bruidegom: Johannes Hendrik Engelsman, oud zevenentwintig jaren [27], electrotechnisch ingenieur, geboren te Veendam, wonende alhier, meerderjarige zoon van Wouter Engelsman, oud zevenenvijftig jaren, stoombootkapitein, en Geertje Lodewijks[?], oud zesenvijftig jaren, zonder beroep, beiden wonende te 's-Gravenhage - Bruid: Hendrikje Maria van Duffelen, oud achtentwintig jaren [28], zonder beroep, geboren en wonende alhier, meerderjarige dochter van Gijsbert Johannes van Duffelen, oud negenenvijftig[?] jaren, meubelfabrikant, en Hendrika Maria Petronella Mathlener, oud tweeënzestig[?] jaren, zonder beroep, beiden wonende alhier - Getuigen: Barend Hendrik Albert Engelsman, 24, kantoorbediende, 's-Gravenhage, broeder van den echtgenoot; Hendrik Engelsman, 35[?], zonder beroep, Haarlem, oom van den echtgenoot; Gerrit van Duffelen, oud eenentwintig jaren [21], kunstschilder, broeder van de echtgenoote; Laurens Bastiaan Leeuwenburg[?], 31, adjunct-inspecteur van de Holland-Amerikalijn, zwager van den echtgenoot; allen wonende alhier - Handtekeningen omvatten: J. Engelsman, G. v. Duffelen, G. J. v. Duffelen, H. M. P. Mathlener en de overige getuigen.
Op zijn eenentwintigste was hij al kunstschilder. Datzelfde jaar slaagde hij voor het staatsexamen voor de akte tekenen in het middelbaar onderwijs, in dezelfde lichting als de Groningse schilder Jan Altink. Vanaf het begin was de schilder dus ook bevoegd tekenleraar.
Waar hij het vak leerde
Een biografisch naslagwerk uit bijna dezelfde tijd vertelt hoe hij werd opgeleid. Na school werkte hij een jaar als meubelmakersleerling, een jaar in het familievak in de fabriek die zijn vader had opgebouwd, en daarna ging hij naar de Rotterdamse Academie van Beeldende Kunsten.
"Duffelen, Gerrit van. Schilder. g[eboren] Rotterdam 21.9.1889. Na M.U.L.O. 1 j[aar] leerl[ing] meubelm[aker]; Acad[emie] voor b[eeldende] Kunsten Ro[tterdam]; [M.O.-akte teekenen 1911; Kon. subsidie 1914–1917; illustraties gedenkboek Holland-Amerika Lijn 1923; werk in Dordrechts Museum 1924; Schip in droogdok in Museum Boymans]."
Van 1909 tot 1913 zat hij op de Rotterdamse academie. Een later profiel noemde zijn docenten daar, Oldewelt en Van Maasdijk, en onder zijn medeleerlingen Henk Chabot, Marius Richters, W. H. Gispen en Piet Zwart. Meer laat dit dossier niet zien van de plek waar hij leerde schilderen.
De koninklijke subsidie
In maart 1914 steunde de staat hem rechtstreeks. In maart 1914 kende de commissie voor de Koninklijke subsidie voor de vrije schilderkunst hem een toelage toe, en die hield hij vier jaar achter elkaar, van 1914 tot en met 1917. Twee kranten meldden het op opeenvolgende dagen.
BEELDENDE KUNSTEN. Koninklijke subsidiën aan jeugdige kunstschilders. Men meldt ons uit 's-Gravenhage d.d. 10 Maart: De commissie voor de koninklijke subsidiën aan jeugdige kunstschilders, heeft voor dit jaar een toelage toegekend aan: Mejuffrouw C. E. Gallas en den heer J. C. A. Goedhart, beiden te Amsterdam; de heeren C. H. Beekman en W. Noordijk; beiden te 's-Gravenhage; en den heer G. van Duffelen te Rotterdam.
De Haagsche Courant bracht dezelfde toekenning een dag later. Deze subsidie is de echte onderscheiding waar een hardnekkige mythe later een olympische medaille van maakte. In het prijzenveld van het RKD, overgenomen uit een lexicon uit 1969–70, zijn de twee samengevoegd; de subsidie is bevestigd door primaire bronnen, de medaille klopt niet.
De 169b-jaren
Van 1913 tot 1923 vermelden de adresboeken hem boven de fabriek aan de Rochussenstraat 169b , en in die jaren gaf hij het adres ook zelf op. Toen hij en Truus Kaleveld in december 1919 hun verloving aankondigden, vermeldde de advertentie zijn gegevens gewoon: G. van Duffelen … Rotterdam, 169.
[Verloofd:] TRUUS KALEVELD en G. VAN DUFFELEN. Amsterdam, Nassaukade 15. Rotterdam, 169. 10 Dec. 1919. In plaats van kaarten. (Rest van de kolom: — n.v.t. —.)
Dit waren zijn tentoonstellingsjaren. In 1914 gaf de Rotterdamsche Kunstkring zijn schilderprijs aan een stilleven dat hij onder het motto Zon had ingezonden. Het juryrapport van het jaar daarop maakt duidelijk dat de schilder won en niet zijn vader: G. van Duffelen, geb. te Rotterdam en hier woonachtig.
[Het Bestuur beveelt voor den prijs aan] het Stilleven ingezonden onder het motto „Zon”, waarvan de schilder bleek te zijn de Heer G. van Duffelen, geb. in 1889 [OCR leest 1869], te Rotterdam en hier woonachtig. (Rest van de kolom: — n.v.t. — algemeen nieuws over kunst en tentoonstellingen.)
In 1916 volgde een solotentoonstelling aan de Schiedamsche Singel, en in 1918 gaf de Kunstkring zijn De Wilgen als premieprent van het jaar aan de leden. De kritieken volgen een schilder die zijn toon zoekt. In 1918 prezen ze de jonge realist; in 1919 maakte een recensent zich zorgen over ‘vreemde invloeden’; in februari 1922 kwam een uitvoerige bespreking van een solotentoonstelling; en in 1926 een eerste koele recensie. Het uitvoerigste eigentijdse verslag is een profiel uit 1923 in Elsevier's Geïllustreerd Maandschrift. Het besprak een stuk of vijftien schilderijen, volgde zijn weg van kleurrijke decoratieve stillevens naar grijzen, beschreef de haven- en rivieretsen die hij buiten uitwerkte, en drukte een van zijn stillevens af.
…Daarna echter komt hij tot meer vereenvoudiging; details vallen weg… (over zijn ontwikkeling van kleurrijke decoratieve stillevens naar grijstinten). Van Duffelen etst ook. Vaak brengt hij [zijn etsen] direkt buiten opgezet… (hij etst ook en werkt daarbij vaak rechtstreeks buiten op de plaat). Dezen winter droeg de Maatschappij de Holland-Amerikalijn hem de illustraties op voor een boek ter herdenking van haar vijftigjarig bestaan. In het nummer is G. van Duffelen. Stilleven afgebeeld.
In die jaren trouwde hij ook. Op 4 mei 1921 vertrok het huishouden van de oudere generatie Van Duffelen van de Rochussenstraat 169 naar Zeist, terwijl Gerrits eigen huishouden in Rotterdam vorm kreeg. Op 24 augustus 1921 trouwde hij in Amsterdam met Geertruida Kaleveld, twintig jaar oud en dochter van een spoorwegboekhouder. De akte noemt hem kunstschilder te Rotterdam, eenendertig jaar oud, en zijn vader Gijsbert Johannes was getuige, naast een kassier uit Den Haag.
No. 424. Heden vier en twintig Augustus negentienhonderd een en twintig zijn voor mij Ambtenaar van den burgerlijken stand van Amsterdam verschenen, ten einde een huwelijk aan te gaan: Gerrit van Duffelen, kunstschilder, geboren en wonende in de gemeente Rotterdam, oud een en dertig jaren, meerderjarige zoon van Gijsbert Johannes van Duffelen en Hendrika Maria Petronella Mathlener, beiden zonder beroep en wonende in de gemeente Zeist en Geertruida Kaleveld, zonder beroep, geboren en wonende alhier, oud twintig jaren, minderjarige dochter van Evert Kaleveld, oud vier en veertig jaren, controleur der afdeeling comptabiliteit bij de Nederlandsche Spoorwegen en Geertruida Johanna van der Kroft, oud twee en veertig jaren, zonder beroep, beiden wonende alhier. De ouders der bruid verklaarden, voor mij tegenwoordig, toe te stemmen in dezen echt. De afkondiging tot dit huwelijk is onverhinderd geschied, alhier en in de gemeente Rotterdam, den zesden dezer maand. Ik heb bruidegom en bruid afgevraagd of zij elkander nemen tot echtgenooten en getrouwelijk alle de plichten zullen vervullen, welke door de wet aan den huwelijken staat verbonden zijn. Nadat deze vragen door hen bevestigend beantwoord werden, heb ik, in naam der wet, uitspraak gedaan, dat zij door het huwelijk aan elkander zijn verbonden. Als getuigen waren tegenwoordig: Gijsbert Johannes van Duffelen, vader des echtgenoots, zonder beroep, oud negen en zestig jaren, wonende te Zeist en Dirk Leendert Pattist, kassier, oud zes en dertig jaren, wonende te 's-Gravenhage. Waarvan akte, welke overeenkomstig de wet is voorgelezen. (ondertekend) G. van Duffelen; G. Kaleveld; E. Kaleveld; G. J. van der Kroft; G. J. van Duffelen; D. L. Pattist[?]; [Ambtenaar]
Er kwamen twee zoons: Frank op 3 augustus 1922 en een tweede jongen op 3 november 1923. Beide geboorteakten geven als adres van het gezin de Eenhoornstraat 4a in het centrum van Rotterdam, niet de hoek . Het huishouden woonde daar al, terwijl de stratenlijst voor de fabriek de schilder nog op 169b vermeldde . Gerrit deed zelf aangifte van de jongere zoon en tekende als kunstschilder, en de akte vermeldt de naam van de jongen in duidelijk leesbaar handschrift: welk kind zal genaamd worden: Kees. (De eerdere lezing ‘Elis’ was een fout in de index; in de akte staat Kees.)
Heden zes November negentienhonderd drie en twintig verscheen voor mij … No. 10801. Gerrit van Duffelen, oud vier en dertig jaren, kunstschilder, wonende alhier, die verklaarde, dat op drie November dezes jaars … alhier, Eenhoornstraat nummer vier a, te zijnen huize is geboren een kind van het mannelijk geslacht, uit Geertruida Kaleveld, zonder beroep … welk kind zal genaamd worden: Kees.
Zijn commerciële werk uit deze jaren wordt makkelijk onderschat. In 1922 ontwierp hij de reclameaffiche voor de Holland-Oost-Azië Lijn. Die stond lang op naam van een naamgenoot uit de scheepvaartwereld, maar het Rijksmuseum en de RCE schrijven haar toe aan de schilder zelf. In de winter van 1922–23 vroeg de Holland-Amerika Lijn hem haar gedenkboek voor het vijftigjarig bestaan te illustreren, De Holland-Amerika Lijn 1873–1923. En toen W. Noorduyn in juli 1923 afscheid nam als directeur van de Rotterdamse Zeevaartschool, kreeg hij van zijn leerlingen een scheepsets van Gerrit van Duffelen.
Hij bleef exposeren, en Pictura in Dordrecht werd een vaste plek. In het voorjaar van 1924 hing bij Pictura in Dordrecht zijn grote Naakt, geprijsd op achthonderd gulden, en een plaatselijke krant zag er ‘grote schilderkunstige waarde’ in. Op een ledententoonstelling van Pictura in 1924 kocht het Dordrechts Museum zijn doek met zonnebloemen voor het atelierraam. De kranten, het NRC van 13 december 1924 en Het Vaderland twee dagen later, noemen het Zonnebloemen voor het atelierraam; in de museumcatalogus heet het Zonnebloemen in glazen vaas.
Twee jaar later nam ook een Rotterdams museum werk van hem op. In juni 1926 schonk een stadgenoot Museum Boijmans zijn tekening Droogdok.
"Naar wij vernemen heeft het Museum [Boijmans] van een stadgenoot ten geschenke gekregen de teekening „Droogdok" van G. van Duffelen, die zijn werk tot 18 dezer in de kunstzaal [Van Hasselt] toont."
De schenking uit 1926 is gedocumenteerd, maar noch de catalogus van Boijmans noch Collectie Nederland wijst er een actuele online objectregistratie van aan. De vermelding in Wie is dat? uit 1932 bevestigt los daarvan dat het werk in het museum terechtkwam: onder zijn werken staat Schip in droogdok in Museum Boymans.
Het Land van Hoboken, geëtst
Eén werk maakt de cirkel rond. Het Rijksprentenkabinet van het Rijksmuseum bezit een stuk of elf etsen van hem, waaronder Land van Hoboken in Rotterdam, geëtst in 1919 en in 1932 door de kunstenaar zelf geschonken (RP-P-1932-112). De jongen die de eerste steen van de hoek legde, maakte later een ets met de naam van het Land van Hoboken, het landgoed aan wiens rand de hoek stond . We kennen de prent van titel en catalogusbeschrijving, niet van wat erop te zien is. Werk van hem is ook in bezit van de Rijksakademie, het Dordrechts Museum, de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Museum Meermanno en Museum De Waag in Deventer.
Naar Amsterdam
In juni 1926 was hij nog leeraar aan de Rotterdamsche Academie, en dat jaar haalde de schilder Huib Luns hem naar Amsterdam om anatomie en vrij tekenen te geven aan het rijksinstituut voor de opleiding van tekenleraren . De hoek had hij toen al lang verlaten. Het huishouden verhuisde van de Rochussenstraat 169 naar de Eenhoornstraat 4a, waar de adresboeken hem in 1923 en 1924 noemen, en daarna naar Schiebroek, waar zijn zoon Jaap in januari 1926 werd geboren. Pas toen kwam Amsterdam, volgens een later profiel via een boerderij in Amstelveen, voordat het gezin zich in de stad vestigde. Na 1923 verdwijnt zijn naam uit de stratenlijst van de Rochussenstraat. Dat markeert de verhuizing naar de Eenhoornstraat, waarvan de huizen hebben, en niet de latere verhuizing naar Amsterdam.
Hij gaf daar les tot 1946, volgens zijn profiel uit 1964, en latere berichten zien hem vooral als docent . Tot zijn leerlingen behoorden in de loop der jaren Bob Buys, Jan Groenestijn, Hans van Dokkum, Frida Hunziker en Margaretha Verheus, en hij was lid van de Amsterdamse kunstenaarsverenigingen Arti et Amicitiae en St. Lucas .
Het interview uit 1942
Eén stuk in zijn dossier vraagt om voorzichtigheid. In januari 1942, onder de bezetting, drukte het pro-Duitse culturele weekblad De Waag een interview met hem af. Interviewer Jaap Valk nam het af en ondertekende het, en zijn weergave schrijft Gerrit opvattingen toe die goed pasten bij het culturele programma van de bezetter. Wij leggen het interview vast en citeren het, maar lezen er geen lidmaatschap of gevolgen in; laat zien hoe ver die ene bron reikt.
Bloemendaal en het einde
Zijn laatste tien jaar woonde hij in Bloemendaal, en hij bleef het schilderen. In 1956 schonk een echtpaar uit Overveen de gemeente Bloemendaal zijn schilderij Het Kopje in de winter, met de bekende rodelbaan aan de Hoge Duin- en Daalseweg, om in het raadhuis te hangen. Bij zijn zeventigste verjaardag in 1959 schreef een Haarlemse krant: hij ‘mag dan geen figuur zijn van de omwenteling in de beeldende kunst’, maar was wel ‘een zeer gevoelig medium’. Het jaar daarop noemde de criticus J. M. Prange in Het Parool een stilleven van hem ‘een goed en beschaafd stilleven’. Wat de berichten het meest prijzen, is de docent wiens leerlingen hem voorbijstreefden. Hij stierf begin april 1967 in Bloemendaal, zevenenzeventig jaar oud, en werd gecremeerd op Westerveld. Zijn overlijdensbericht vermeldde dat hij ‘van 1925 tot 1955 in Amsterdam woonde en werkte’. Het profiel uit 1964 dateert zijn verhuizing daarheen juist op 1926; dat zijn lesgeven in 1946 eindigde, zegt op zichzelf niet wanneer hij Amsterdam verliet.
De werken die hem overleven en zijn beeltenissen
Het meeste van zijn werk kunnen we noemen, maar niet laten zien. Het RKD fotografeerde zo'n drie dozijn werken, naast een reeks veilingvermeldingen, uit de jaren 1910 tot de jaren 1950: bloem- en fruitstillevens, havenetsen, stadsgezichten van Amsterdam en Rotterdam . Er rust auteursrecht op tot 2038, dus alleen de stukken uit openbare collecties hierboven en kunnen worden getoond . Onder de gefotografeerde werken zijn Het Scheepsmodel, een Uitgebloeide Zonnebloem met de aantekening 1946, De Hef, een Scheepswerf te Rotterdam (17 × 21 cm), een Scheepvaart te Rotterdam (17 × 24 cm) en een knotwilg met de aantekening 1917, verkocht via handelaren als Simonis & Buunk en het Vendu Notarishuis. Het grafische werk is donkerder dan de zonnebloemen doen vermoeden. Het Rijksprentenkabinet bewaart zijn Dode roek (RP-P-1932-111), een Schedel met hoed en handschoenen (RP-P-1932-113) en een Man in bed (RP-P-1932-115), en Museum Meermanno heeft vier ex librissen die hij sneed voor zijn eigen zoons, Kees en Frank.
Foto's van hem bestaan wel, in de familie. In augustus 2026 stuurde zijn kleindochter het project een paar van de weinige die ze heeft, met foto's van de werken die zij bewaart, en de reeks werd vrijgegeven voor publicatie. Buiten de familie is online geen foto van hem bekend. Het beste openbare portret is zijn eigen Zelfportret met pijp bij raam, waarvan de herkomst in 2022 bij een Leids veilinghuis werd achterhaald. Er hoort een curiositeit bij: de afbeelding die de olympische databank als zijn ‘atletenfoto’ uit 1928 toont, is dat zelfportret. Een tweede portret toont hem indirect, door de ogen van een ander: een tekening in zwart krijt die Willem Gerard Hofker in 1957 van hem maakte en die in het Rijksmuseum is. Op beide rust auteursrecht, dus hier staan ze alleen in woorden.
Het enige werk van hem dat het gebouw nu zelf bezit, kwam er bij toeval. In augustus 2026 kocht de huidige eigenaar van Rochussenstraat 169 zijn aquarel De Rijn vanaf de Grebbeberg bij een Utrechtse handelaar, met als herkomst een collectie uit een buitenhuis in Driebergen. Een persoonlijke band tussen de schilder en die familie is niet gedocumenteerd. Het is het best te zien als een gewone aankoop op de markt, het slotstuk van de site en geen feit uit zijn leven.
Claims die het dossier moest ontkrachten
Rond een kleine schilder hopen zich de vergissingen van anderen op, en een aantal moest worden opgeruimd.
Hij won geen olympische medaille. Volgens Olympedia deed hij in 1928 mee aan de kunstwedstrijden met een werk getiteld Jongen met slee en won hij niets. De bronzen medaille die soms aan zijn naam hangt, begint in een lexicon uit 1969–70, werd overgenomen in het prijzenveld van het RKD en komt voort uit verwarring met zijn echte onderscheiding, de koninklijke subsidie van 1914.
Hij voer niet naar New York. Op een passagierslijst staat een ‘Gerrit van Duffelen’ die op 14 april 1928 met de ss Ryndam uit New York aankwam, en dat is gelezen als emigratie van de schilder.
De passagier heeft een tweede initiaal: ‘Mr. Gerrit P. van Duffelen’. Hij is Gerrit Pieter van Duffelen, geboren in 1905 in een andere familie, met banden met de scheepvaart, en het gaat om een terugreis uit New York, niet om een vertrek ernaartoe. Diezelfde naamgenoot, en niet de schilder, werd ooit gezien als maker van de scheepvaartaffiche uit 1922, tot de toeschrijving werd teruggedraaid.
Een gedocumenteerde Romeinse periode had hij evenmin. Hij werd van 1909 tot 1913 opgeleid aan de Rotterdamse academie, staat op geen enkele lijst van winnaars van de Prix de Rome en kan geen prijs van de Amsterdamse academie hebben gewonnen. In Italië bestudeerde hij het landschap in de Dolomieten en Ligurië, zonder verblijf aan een academie in Rome. De achttiende-eeuwse etsen Vedute di Roma die op veilingsites onder zijn naam worden verkocht, zijn verkeerd toegeschreven prenten van Piranesi, gemaakt meer dan een eeuw voor zijn geboorte.
Daarnaast liggen er twee kleinere valkuilen. De vier objecten op naam van ‘van Duffelen’ in Museum Rotterdam zijn van viltontwerper Esther van Duffelen, niet van hem; dat museum levert voor hem dus niets op. En het stilleven en de houtsneden die in de brief naast zijn Pictura-inzending uit 1924 op dezelfde pagina staan, zijn van Alex Dorgelo, niet van hem.
Zonder de mythen is het gewone leven al opmerkelijk genoeg. De jongen van de eerste steen werd een werkend schilder, maakte een ets met de titel Land van Hoboken in Rotterdam, naar het landgoed aan wiens rand de fabriek van zijn vader stond, leidde in twee steden een generatie op en stierf op zijn zevenenzeventigste. Buiten de familie is zijn bekendste portret een zelfportret.